André Vromans

Lommel is tegenwoordig het motocrossmekka van Europa: veel teams en rijders zijn er gehuisvest en op het Stedelijk Motorcrosscircuit zijn vaak topwedstrijden, zoals dit jaar op 30 september de Motocross des Nations. André Vromans komt er van oorsprong ook vandaan en precies dertig jaar geleden mistte hij als Suzuki-fabrieksrijder op een paar punten het wereldkampioenschap in de 500 cc klasse.

Aan het begin van Vromans loopbaan ging Maurice Vandenboer (rechts) bijna altijd met hem mee. Vandenboer is nu gepensioneerd, maar nog steeds beheerder van het circuit in Lommel, dat zes dagen per week open is.

Een wereldtitel is niet te koop

Iedereen die denkt dat hij wat is in de tegenwoordige internationale motocross-scene – of daarin graag een plekje wil hebben – woont tegenwoordig in de buurt van Lommel, hét motocrossmekka van deze tijd. In een cirkel van 25 kilometer rondom deze Belgische grensplaats wonen mannen als Cairoli, Nagl, Bobryshev, De Dijcker, Goncalves, Barragan, Leok, Tonus, De Reuver, Petrov, Kullas en nog veel meer. Ook de teams hebben de weg naar de Belgische Kempen weten te vinden, want De Carli, KTM, Suzuki, JM, Martin, Cas en Rinaldi hebben of hadden hun hoofdkwartier in Lommel of in een van de buurgemeentes Mol en Balen. Zelfs de Italiaanse motorbond had een paar jaar geleden een eigen onderkomen in Overpelt, van waaruit ze in de schoolvakanties jeugdcrossers trainde en in het zand leerde rijden.

Eén van de pleisterplaatsen voor motocrossers, monteurs en hun aanhang is, naast de Stop & Go van Johan Boonen in Lommel-Kolonie, natuurlijk de kantine van het ‘Stedelijk Motorcrosscircuit’ in Lommel, dat door oud GP-rijder en tegenwoordig supercross-circuitbouwer Freddy Verherstraeten en zijn familie wordt uitgebaat. En een van de oudcoureurs die je daar wel eens tegenkomt is André Vromans. Vromans is geboren in Lommel en komt tegenwoordig op zijn ‘koersfiets’ vanuit Arendonk naar Lommel gefietst, als hij zijn wekelijkse trainingsrondje maakt op woensdagmiddag. Vromans is een kind van de streek, waar al sinds mensenheugenis goede motocrossers vandaan komen. Hij legt ons op een regenachtige zaterdagmiddag in de kantine van het circuit in Lommel uit hoe dat toch komt.

Vromans volgde aan het begin van zijn carrière zijn steun en toeverlaat Johnny Strijbos naar de zaak van Roger de Coster en reed toen het Belgische kampioenschap op een productie Suzuki.
Vromans volgde aan het begin van zijn carrière zijn steun en toeverlaat Johnny Strijbos naar de zaak van Roger de Coster en reed toen het Belgische kampioenschap op een productie Suzuki.

“Toen ik hier in de buurt opgroeide was motocrossen erg populair. Bij ons in Lommel had je mijn vader Harrie, de vader van Jacky Martens, Lee Martens, Johan Boonens vader Jan en Jaak van Velthoven. Dat waren hier de grote mannen. En een dorp verder, in Mol, had je de Geboersen en nog een paar goede coureurs, terwijl de andere kant op, richting Genk, Jeff Teeuwissen en later mannen als Harry Everts en Jo Martens zaten. Je kon in die tijd hier in de buurt elke dag wel op ik weet niet hoeveel terreinen trainen. Er was altijd wel een baantje waar je wat kon proberen en er was niemand die daar moeite mee had. Ik was toen een jaar of zestien en ik reed elke dag met mijn Husqvarna. Ik testte al veel voor Van Velthoven en Boonen, die toen samen een bedrijf hadden dat Husqvarna en KTM importeerde. Ik heb een prachtige jeugd gehad, want ik kon iedere dag lekker motocrossen. Wat wilde je nog meer? Mijn vader is begonnen te rijden bij wat toen de BLB heette en stapte later over naar wat wij de ‘grote bond’ noemen, de BMB. Ik ben daar toen ook begonnen. Direct met een 500 cc Husqvarna. Na een jaar moest ik echter alweer stoppen omdat er een nieuwe wet was aangenomen waarin stond dat je pas aan wedstrijden mocht meedoen vanaf je achttiende. Dikke pech natuurlijk, want ik moest nu een jaar wachten en kon alleen maar trainen. Rijden kon ik gelukkig genoeg, want Van Velthoven en Boonen waren bezig zelf een crossmotor te ontwikkelen, de BVM. Dat was een kruising tussen een Husqvarna en een KTM. Die motor is volgens mij nooit officieel op de markt gekomen, maar ik heb van die vele testritten veel geleerd. Toen ik eenmaal achttien was kon ik eindelijk aan de bak.”

In 1980 werd de finale van het WK ook in Luxemburg verreden. De Coster (5) reed er zijn laatste GP en won beide heats. Malherbe (3) werd die dag wereldkampioen en Lackey (4) reed nog op Kawasaki. Vromans reed zijn eerste seizoen voor Yamaha en zit bij de start net achter zijn team genoot Hakan Carlqvist (3).
In 1980 werd de finale van het WK ook in Luxemburg verreden. De Coster (5) reed er zijn laatste GP en won beide heats. Malherbe (3) werd die dag wereldkampioen en Lackey (4) reed nog op Kawasaki. Vromans reed zijn eerste seizoen voor Yamaha en zit bij de start net achter zijn team genoot Hakan Carlqvist (3).

In 1977, na het behalen van het Belgisch kampioenschap in de seniorklasse, mag Vromans als beloning naar het Engelse Farleigh Castle om er een Grand Prix te rijden. Vromans is dan privérijder op een Suzuki van Motorcenter Roger de Coster. Grote man daar is Johnny Strijbos, een Nederlander die is geboren en getogen in Valkenswaard en later in het bedrijf van Van Velthoven en Boonen terechtkomt als die in België Husqvarna en KTM importeren. Strijbos gaat na zijn periode in Lommel naar Leuven om de zaak van De Coster te leiden en hij ziet wel wat in de jonge Vromans. Hij zal vervolgens altijd nauw verbonden blijven met de sportieve loopbaan van zijn beschermeling. Vromans is nu 57 jaar en vader van een dochter en een zoon. Een zoon die onlangs nog in Lichtenvoorde naar de Zwarte Cross is geweest, op het terrein waar zijn vader ooit GP’s reed én won!

Hij vervolgt zijn verhaal over het begin van zijn carrière: “De Coster was natuurlijk vooral in België de grote man in de motocross. Via Johnny kwam ik bij hem terecht en ging ik Suzuki rijden. Dat was in die tijd een hele verbetering, maar het allerbelangrijkste was misschien wel dat ik met hem mee mocht als hij ging trainen. Ik heb in die periode vreselijk veel geleerd door veel naar hem te kijken en vooral te luisteren. De Coster heeft me geleerd hoe belangrijk het is de techniek van de motor te beheersen. Je kunt nog zo hard trainen en nog zo veel rijden, als je vering of je motorafstelling niet goed is, dan helpt al dat trainen niets. Daar heb ik de rest van mijn carrière heel veel aan gehad. Als we later gingen testen met bijvoorbeeld Suzuki, dan zaten we daar samen met Jean Jacques Bruno en Harry Everts. Maar Bruno trok altijd zijn schouders op als hem wat gevraagd werd door de monteurs en mensen van Suzuki. En Harry wees altijd naar mij. ‘Maak mijn motor maar net zo klaar als die van den Vromans’ zei hij dan.”

Vromans (links) en Jobé (met petje) reden in 1982 en 1983 samen voor Suzuki. Omdat Vromans een goede testrijder was, moest hij ook vaak de motor van Jobé testen en afstellen.
Vromans (links) en Jobé (met petje) reden in 1982 en 1983 samen voor Suzuki. Omdat Vromans een goede testrijder was, moest hij ook vaak de motor van Jobé testen en afstellen.

Tijdens die eerste Grand Prix in Engeland pakt Vromans direct punten met een negende plaats. Later in dat jaar wordt hij in Zwitserland tijdens de laatste GP zelfs achtste. In 1978 en 1979 blijft Vromans voor Suzuki rijden op een productiemotor, maar weet daarmee regelmatig fabrieksrijders als De Coster, Wolsink, Bruno en Gerard Rond te kloppen. De echte doorbraak komt echter een jaar later, als hij een contract tekende als echte fabrieksrijder voor het Yamaha-team. Hij krijgt als teammaat de wereldkampioen 250 cc Hakan Carlqvist, die denkt dat hij de grote man is binnen het Yamaha team. Yamaha behandelt beide rijders echter gelijk en al snel blijkt dat Vromans vaak sneller is en Carlqvist regelmatig het nakijken geeft. Vromans wint in Valkenswaard zijn eerste Grand Prix en wordt in zijn eerste jaar als fabrieksrijder direct vierde in de eindstand. In 1981 rijdt Vromans opnieuw voor Yamaha en is ook nu vaak van voren te vinden. Hoogtepunt voor hem wordt echter een van de laatste grote wedstrijden van dat jaar. In die tijd worden de landenwedstrijd nog in twee categorieën verreden. Je hebt de Trophee des Nations waarin de vier beste rijders van hun land uitkomen in de 250 cc klasse en een week later de Motocross des Nations waarin op 500 cc machines wordt gereden. In Lommel, destijds de woonplaats van Vromans, wordt in 1981 de Trophee des Nations verreden en België is op dit zware zandcircuit (waar dit jaar op 30 september opnieuw de landenwedstrijd wordt verreden) natuurlijk de grote favoriet.

Vromans in zijn typische stijl, met zijn iets gekromde rug.
Vromans in zijn typische stijl, met zijn iets gekromde rug.

Vromans heeft dat jaar laten zien in het zand met de besten mee te kunnen, maar wordt in eerste instantie niet in het Belgische team opgenomen. Malherbe moet echter door een armbreuk verstek laten gaan en zo komt Vromans alsnog aan de beurt. Maar goed ook, want als hij niet mee had gedaan was de afgang van het Belgische team nog groter geweest. Zijn teammaten waren Harry Everts, Eric Geboers en Marc Velkeneers, stuk voor stuk toppers in de 125 cc klasse, maar in Lommel blijkt dat ze op een 250 duidelijk tekort komen. Vromans wordt de held van de dag, want hij wint beide manches en redt daarmee de Belgische eer. De gereserveerde feestzaal voor het titelfeest kan echter afgezegd worden, want men rekent niet op het sterke optreden van Roger de Coster en zijn jonge Amerikaanse Honda-team. Dat team, bestaande uit Danny Laporte, Donnie Hansen, Johnny O’Mara en Chuck Sun, heeft in De Coster natuurlijk dezelfde perfecte leermeester die ook Vromans aan het begin van zijn carrière had gehad. De Belgen worden zelfs zo verrast dat ze voor het eerst in jaren nota bene op hun thuisbaan in deze landenwedstrijd worden verslagen, dat men niet eens het Amerikaanse volkslied speelt en er uit chagerijn ook geen champagne is op het erepodium. De Coster, die zich na zijn actieve loopbaan in Amerika heeft gevestigd en daar het Honda-team leidt, lacht intussen in zijn vuistje; een week later wint zijn team ook de Motocross des nations in het Duitse Bielstein. Terug naar Vromans: in 1982 stapt hij weer over naar zijn oude liefde: Suzuki. Dit keer wordt hij opgenomen in het fabrieksteam naast Jean Jacques Bruno, Gerard Rond en Brad Lackey. In 1980 zet Suzuki hun toenmalige sterren Roger de Coster en Gerrit Wolsink aan de kant, om verder te gaan met de jeugd.

Rond en Bruno kunnen echter nooit een vuist maken en in 1982 wordt het team daarom uitgebreid met Brad Lackey en Vromans. Dat pakt voor de beide nieuwelingen binnen het team goed uit, want vanaf de helft van het seizoen strijden Vromans en Lackey om de wereldtitel. De finale van het WK is in het Luxemburgse Ettelbruck. Ik was zelf een week eerder naar de Amerikaanse 250 cc GP in Unadilla geweest, die werd gewonnen door Kees van der Ven. Een paar dagen later zat ik samen met de toenmalige eigenaar van WP Susension Wim Peeters in de buurt van Nashville op de farm van countryzangeres Loretta Lynn, waar het jaarlijkse amateurkampioenschap van Amerika werd verreden. Op zich een fraai evenement met een paar duizend deelnemers, maar het was er zo warm en benauwd dat we besloten om het na twee dagen voor gezien te houden en zo vlogen we op zaterdag terug van Nashville naar Brussel.

In het vliegtuig bedacht ik me dat Brussel niet ver van Ettelbrück lag en dat ik de laatste 500 cc GP van 1982 eigenlijk best graag wilde zien, omdat neef Gerrit Wolsink die dag zijn laatste Grand Prix zou rijden. Na een lange vliegreis en een treinreis van een paar uur kwam ik midden in de nacht aan in Ettelbrück, maar ik heb er nooit spijt van gehad, want zo kon ik met eigen ogen de titanen strijd zien tussen Lackey en Vromans, die tot in de laatste heat streden om de wereldtitel. Voor de laatste GP was het verschil tussen beide rijders slechts vier punten en Vromans leek in de eerste manche op weg om het verschil nog kleiner te maken. Noyce lag even op kop, maar kreeg van een toeschouwer – die hem waarschijnlijk niet zo mocht – een klap met een paal op zijn hand en moest met een gebroken hand de strijd staken! Carlqvist nam vervolgens de leiding over en Vromans en Lackey streden om plaats twee. Vromans leek die onderlinge strijd in zijn voordeel te beslissen, maar in de laatste ronden sloeg Lackey toe en liep verder uit in de WK-stand.

Zelfs Vromans maakte wel eens een foutje op een van zijn geliefde zandcircuits.
Zelfs Vromans maakte wel eens een foutje op een van zijn geliefde zandcircuits.
Sylvain Geboers (links) was één van de toppers in de 250 cc toen Vromans begon met zijn crosscarrière. Beiden groeiden op in de Belgische Kempen, nabij het circuit van Lommel.
Sylvain Geboers (links) was één van de toppers in de 250 cc toen Vromans begon met zijn crosscarrière. Beiden groeiden op in de Belgische Kempen, nabij het circuit van Lommel.

Later bleek dat Vromans van het gas moest omdat alle noppen van zijn achterband waren verdwenen. De tweede heat begon met een hele vreemde actie: Vromans pakte kopstart en in Ettelbrück moest je aan het eind van het startterrein een bruggetje over en dan rechtdoor omhoog een helling op. Behalve direct na de start, want dan was het rechtdoor te smal en liep het circuit de eerste ronde onderlangs. Vromans nam kopstart en reed echter toch naar boven. Eer hij in de gaten had dat hij de verkeerde kant op ging, stoof het hele veld achter hem langs en moest hij omkeren en als laatste verder. Hij reed vervolgens de longen uit zijn lijf, maar kon de achterstand op Lackey nooit meer goed maken. Lackey werd achter Carlqvist en Picco derde, terwijl Vromans toch nog als zesde over de streep kwam. Kwade tongen beweerden achteraf dat Vromans zijn wereldtitel voor een zak vol dollars verkocht had aan de Amerikanen.

André Vromans
André Vromans

Uiteraard vroegen we hem nu, dertig jaar na dato, of dat ook zo was. Vromans glimlachend: “Natuurlijk niet. Een wereldtitel is in onze sport niet te koop. Een wereldtitel, daar train je je hele leven voor en dat geef je voor geen geld ter wereld af. Ik heb de wereldtitel dat jaar ook niet in Ettelbrück verloren, maar al veel eerder. Ik moest in Finland eerder dat jaar van Suzuki opeens met lichtere zuigers rijden, dat was volgens hen veel beter. Ik reed daar erg goed en lag ver voor, totdat die zuiger dus stuk ging en in duizend stukken onderin lag. In Ettelbrück kreeg ik in de eerste manche opeens ook een andere band van Dunlop. Maar daar vlogen tijdens de wedstrijd alle noppen af, terwijl Lackey met een andere Dunlop-band nergens last van had.” Vromans zal het nooit hardop zeggen, daar is hij veel te fatsoenlijk voor, maar diep in zijn hart heeft hij nog steeds de twijfel of hij dat seizoen niet geflikt is en dat Suzuki dat jaar gewoon meer belang had bij het feit dat Lackey als eerste Amerikaans wereldkampioen motocross moest worden. De loopbaan van Vromans heeft na 1982 nog jaren geduurd. Hij werd zelfs nog fabrieksrijder voor Honda en KTM, maar zo dicht bij de wereldtitel als in 1982 kwam hij nooit meer.

Tekst Derk Jan Wolsink
Foto’s Derk Jan Wolsink/archief familie Vromans


Dit verhaal komt uit Noppennieuws 100 (2013)

(Visited 605 times, 1 visits today)
Sluiten