Johnny Vink

Eerder in de serie `Mannen van Staal’ zetten we Rudy Boom al eens in de schijnwerpers. Boom is ­ net als Noppennieuws-bedenker Toon van de Vliet ­ een rasechte Amsterdammer en die hebben wat de motorsporters betreft één ding gemeen: ze kunnen uitermate goed motorrijden én goed vertellen. De `Man van Staal’ die dit keer uitgebreid aan het woord komt woont al jaren in Lelystad, maar is eigenlijk ook zo’n echte Amsterdammer. En ook hij kan er mooi over vertellen. We hebben het over Johnny Vink, een zeer getalenteerde crosser die in 1974 zelfs de eerste officiële 125 cc fabrieksrijders bij Kawasaki werd.

Johnny Vink in actie als Kawasaki-fabrieksrijder op de KX125 in 1974

‘HET VREET NOG STEEDS AAN ME DAT IK OOIT MEER KAMPIOEN BEN GEWEEST!’

Zijn enige kampioenschap was de officiële West-Brabantse NMB-titel.
Zijn enige kampioenschap was de officiële West-Brabantse NMB-titel.

Johnny Vink werd op 15 februari 1953 in Amsterdam-Noord geboren, maar verhuisde als kind al snel naar het Amsterdamse centrum. Vink: “Mijn vader was slotenmaker en in de binnenstad was veel meer werk. We kwamen midden op de Wallen te wonen en mijn vader bedacht van alles om me maar van de straat te houden. Hij was zelf helemaal bezeten van de motocross en nam me als jochie dan ook vaak mee naar wedstrijden, om naar onze snelle stadsgenoten Rudy Boom, Jan van der Hoek en de gebroeders Selling te kijken. Die waren echt top in die tijd! Aanvankelijk vond ik motocross echter niets. Ik was er als klein manneke zelfs bang voor; Al dat lawaai van die enge motoren. Later kreeg ik zelf een brommertje en weer een paar jaar later werd er een Rond Sachs aangeschaft.”

“Pa bedacht echt van alles om me op het rechte pad te houden, want als je midden op de Walllen woont zijn de verleidingen des levens natuurlijk erg groot. `Laten we maar lekker gaan crossen jongen, dan heb je ook geen tijd om pooier te worden’ zei hij dan. We reden veel in de buurt van Ede en later waren we kind aan huis op het circuit van Ermelo. De aanhanger ging dan achter de Volkswagen Kever en dan gingen we met de hele familie, inclusief opa en oma op pad. Toen ik een jaar of vijftien was ging ik op aanraden van Gert Rond, de vader van mijn latere concurrent Gerard Rond, wedstrijden bij de NMB rijden. Dat ging boven verwachting, want ik werd West-Brabants kampioen. Een jaar later maakten we de overstap naar de KNMV en daar eindigde ik achter Henk Poorte als tweede bij de junioren.”

In de beginjaren nam Vink senior Johnny mee om te gaan crossen op de Veluwe.
In de beginjaren nam Vink senior Johnny mee om te gaan crossen op de Veluwe.

Het ging vervolgens snel met de carrière van Vink, die in eerste instantie vooral bekend werd door zijn spectaculaire rijstijl en zijn lange wheelies die hij te pas en te onpas tijdens de wedstrijden trok. Ik was in die tijd zelf nog maar een jochie van een jaar of dertien en ging met mijn vader mee naar de wedstrijden. Johhny Vink werd toen meteen een van mijn helden. Niet alleen om zijn rijkunsten, maar ook om zijn bravoure en om zijn vader. Die had altijd een hoedje op en rende vaak sneller de baan rond dan Johnny op de motor!

Vink: “Ja, mijn vader was erg fanatiek. En ja, ik ben natuurlijk wel een Amsterdammer en we hebben nu eenmaal een beetje branie. Hard rijden en winnen is leuk, maar een beetje show hoort er bij. Ik werkte in die tijd als leerling op de Stadhouderskade bij het toen door Bruinsma overgenomen Jamathi van Jan Thiel en Martin Mijwaard. De Firma G. Joh. Bruinsma wilde de echte productie van die bromfiets opzetten en ik werkte daar op die productieafdeling. Jan Thiel en ook Jan Smit, die van Van Veen was overgekomen om de Jamathi productierijp te maken, waren in die tijd de beste tuners die je kon vinden. Ze bouwden naast de beroemde 50 cc racers destijds ook een 50 cc crossmotor.”

Vink in actie op de door Jan Thiel en Jan Smit getunede superlichte Husqvarna.
Vink in actie op de door Jan Thiel en Jan Smit getunede superlichte Husqvarna.
In 1971 werkte Vink bij Jamathi en reed hij zondags op een prototype van de Jamathi-crosser.
In 1971 werkte Vink bij Jamathi en reed hij zondags op een prototype van de Jamathi-crosser.

“En omdat ik kon crossen, mocht ik daar als test wat wedstrijden mee rijden. Ik reed ermee in de top van Nederland, tegen mannen als Wim van de Brink en André Gebben. Maar ik werd op een gegeven moment natuurlijk ouder en toen kwam er eerst een CZ van mijn grote vriend Gert Brouwer en later een Husqvarna van importeur en stadsgenoot Joop van Wees voor de 250 cc klasse. Jan Thiel en Jan Smit waren echte pk-tovenaars. Smit werd later de man achter de successen van Henk Vink in de dragrace en Jan Thiel zou een vermaard tuner worden in de GPwegrace. Omdat we samen werkten bij Bruinsma, hebben zij toen mijn Husqvarna onder handen genomen en dat werd echt een kanon. De uitlaat werd zelfs onderlangs gemaakt en nog veel meer van die geintjes. Na die speciale behandeling van Thiel en Smit was mijn Huskie de snelste en de lichtste van allemaal! Bruinsma was naast de fabrikant van Jamathi destijds ook de importeur van Kawasaki. En zo gebeurde het dat in hetzelfde pand als waar Jamathi zat, ook het raceteam van Kawasaki kwam te zitten.”

Johnny Vink in zijn spektaculaire rijstijl, waarmee hij onder meer de cover van een motorplaatjes-plakboek en de poster in de Sjors in 1973 haalde.
Johnny Vink in zijn spektaculaire rijstijl, waarmee hij onder meer de cover van een motorplaatjes-plakboek en de poster in de Sjors in 1973 haalde.

“Olle Pettersson, zijn broer Stig en Torleif Hansen waren in die tijd bij Kawasaki in dienst om de crossmotoren te ontwikkelen. Vaak gingen ze in Amsterdam, op het toen nieuwe circuit in de haven, trainen. En ik reed daar ook vaak en probeerde die fabrieksrijders dan natuurlijk de loef af te steken. En dat lukte me meestal wel! Gewoon voorbij rijden en dan meteen even een wheelie er achteraan natuurlijk. Op die manier viel ik wel op bij de Japanners, die er altijd bij waren met een paar techneuten. Dat jaar was er in Markelo een 125 cc wedstrijd als bijprogramma van de GP 250 cc. De Japanners, die normaal in Amsterdam verbleven, gingen ook mee naar de wedstrijd en ik reed erg goed die dag. Een van de bazen bij Kawa, mijnheer Onemoto, had me al langer in het vizier en ik heb hem die dag denk ik overtuigd, want hij vroeg me na Markelo of ik op de Kawasaki 125 cc machines wilde gaan rijden. Voor het seizoen erop tekende ik dus mijn eerste, en naar later bleek ook mijn laatste, echte fabriekscontract. Ik werd daarmee in 1974 de eerste officiële 125 cc fabrieksrijder bij Kawasaki en was op dat moment natuurlijk apetrots. Nadeel bleek achteraf dat die Kawasaki in 1974 wel erg snel bleek, maar allesbehalve betrouwbaar was. Ik stond meer langs de kant dan dat ik reed en dat heeft me erg veel goede uitslagen gekost. In 1973 had ik al laten zien dat ik de strijd aan kon binden met mannen als André Malherbe, André Massant en Gilbert de Roover, de absolute 125 cc toppers van toen. Malherbe en Schneider reden op de snelle, maar ook betrouwbare Zündapps en De Roover was de man bij Husqvarna in de 125 cc klasse. Dat jaar heette het WK 125 cc nog FIM Cup en werd er in twee groepen gereden. De Nederlandse rijders met onder andere Mattie Gielen, Gerard Rond, Henk Poorte en ikzelf waren ingedeeld bij de Zweden, Belgen en Duisters en dat was veruit de sterkste groep. De Kawasaki had me dat jaar echter al vaak in de steek gelaten en ik besloot om in Bergharen op een Husqvarna te starten. Want ik wilde laten zien dat het niet aan mij lag, maar aan die Kawasaki. Ik werd toen achter Massant een keer tweede, maar viel echter in de tweede heat ook met de Husky uit. Ghielen reed die dag ook goed, want die werd vierde. Maar ik had dus laten zien dat ik het tempo van de toppers wel kon rijden, maar de Japanners waren natuurlijk niet echt vrolijk van mij geworden. Op zich terecht, want echt netjes was het natuurlijk niet om de Kawasaki te laten staan en op een Husqvarna te starten. Het had gelukkig geen gevolgen voor mijn fabriekscontract, maar laten we dit voorval maar een uitstapje in plaats van een misstapje noemen…”

Een foto van de 125 cc FIM-cup in Bergharen waarin Vink niet op de Kawasaki maar op een standaard Husqvarna startte. Hier rijdt hij voor Gerard Rond (H2).
Een foto van de 125 cc FIM-cup in Bergharen waarin Vink niet op de Kawasaki maar op een standaard Husqvarna startte. Hier rijdt hij voor Gerard Rond (H2).

In 1973 werd de finale van de eerste FIM 125 cc Cup in het voormalige Joegoslavië verreden. Gielen, Vink en Rond plaatsten zich voor die wedstrijd, maar scoorden geen punten. André Malherbe won het kampioenschap, voor Tarao Suzuki op de Yamaha en zijn Zündapp-teamgenoot Frits Schneider. In 1974 werd de FIM Cup 125 cc omgedoopt tot Europees kampioenschap. Vink kwam aan de start met de Kawasaki, maar begon de competitie slecht.

Vink: “Ik zat tijdens de eerste wedstrijden in Italië en Frankrijk telkens in de kopgroep, maar de Kawa ging al na een paar rondjes kapot. Dat bleef maar duren, totdat ik vlak voor de wedstrijd in Rhenen een nieuw motorblok kreeg. In Rhenen met het nieuwe motorblok ging het gelukkig wel goed. Ik werd in de eerste manche vlak achter Gilbert de Roover tweede en in de tweede heat zaten alleen Malherbe en Gert Demoed voor me. Ik mocht later op de dag als tweede naar het podium, samen met Henk Poorte en mijn goede vriend André Malherbe. We dachten toen dat we bij Kawasaki het lek boven hadden, maar in de volgende wedstrijden liep ook de nieuwe motor telkens kapot. Later bleek dat de carters scheef geboord waren waardoor het small-end er telkens uitliep. In 1975 zou ik een nieuw contract bij Kawasaki krijgen, maar het liep allemaal anders. Ik had echter een erg goede relatie met manager Olle Pettersson en we waren ervan overtuigd dat alles wel goed zou komen. Op een gegeven moment werden we samen met Christer Hammergen, die 500 cc fabrieksrijder was voor Kawasaki, uitgenodigd om naar het bekende Okura Hotel in Amsterdam te komen. We dachten dat ze eindelijk het contract voor 1975 klaar hadden, maar het bleek heel anders uit te pakken.”

De eerste Nederlandse 125 cc toppers op het podium in Varsseveld in 1973: Johnny Vink, Mattie Ghielen en Gerard Rond. Dit drietal mocht ook namens Nederland starten in de FIM-cup.
De eerste Nederlandse 125 cc toppers op het podium in Varsseveld in 1973: Johnny Vink, Mattie Ghielen en Gerard Rond. Dit drietal mocht ook namens Nederland starten in de FIM-cup.

“Ons werd meegedeeld dat ze besloten hadden om met zowel het 125 cc als het 500 cc team te stoppen en dat Kawasaki zich helemaal toe ging leggen op de 250 cc klasse met Torleif Hansen. Goh, als ik er aan terug denk word ik er nog flauw van. Dat hadden we nooit verwacht. Ik was die winter met Pettersson mee geweest naar Zweden om me goed voor te bereiden en veel aan de conditie te werken. En dan dit… Daar kwam nog bij dat ik nota bene een aanbod van Zündapp had afgeslagen, omdat ik er echt van overtuigd was dat ik voor Kawasaki kon blijven rijden. Dat aanbod van Zündapp was op zich financieel niet zo interessant, want ik kreeg er zoals bij Kawa geen salaris, maar ik kon wel de beschikking krijgen over hun speciale materiaal. En dat was op dat moment het beste dat je kon krijgen in de 125 cc klasse. Maar ik had het ondanks dat de motor altijd kapot ging best naar mij zin bij Kawasaki. Ze hadden me de kans gegeven, me ook af en toe een stommiteit vergeven en ik kon goed opschieten met de mensen van het team. Nu stond ik met lege handen. Ik kon wel op een Kawasaki blijven rijden, maar dan zonder directe steun. Ik was ervan overtuigd dat je met standaardmotoren in die tijd geen schijn van kans had om vooraan te rijden in het EK of WK en ik besloot te stoppen. Ik was echt vreselijk teleurgesteld en was er helemaal klaar mee. Achteraf was dat een veel te impulsieve reactie, maar zo zat en zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Jan de Groot was intussen bij Kawasaki Nederland komen werken en toen bleek dat hij de Kawa’ s wel betrouwbaar kon krijgen. Dinand Zijlstra ging voor hem rijden en won er de titel mee. Achteraf had ik dus ongelijk en had ik het bijltje er niet zo snel bij neer moeten gooien. Dan was ik misschien nog een keer Nederlands kampioen geworden. Want dat vreet nog steeds aan me. Ik ben, na die West-Brabantse titel bij de NMB, nooit meer kampioen geweest. Er was er altijd wel één beter of ik viel gewoon te vaak uit..”

Op weg naar de eerste 125 cc FIM-cup finale in Joegoslavië.
Op weg naar de eerste 125 cc FIM-cup finale in Joegoslavië.

Vink had het dus helemaal gehad met de cross en vooral met Kawasaki, maar waarschijnlijk ook met zichzelf, zodat het een tijdlang stil bleef rondom de flamboyante Amsterdammer. Op een gegeven moment dook hij echter ­ samen met vader Thijs, inclusief hoedje ­ toch weer op, tijdens een zijspancross in Harfsen. Vink rijdt bij de Junioren op een zijspan. Op een gegeven moment komt er echter een combinatie langs die zijn bakkenist kwijt is. Dat blijkt Vink te zijn. Hij rijdt echter gewoon door, alsof er niets aan de hand is. En hij blijft ook gewoon in de kopgroep rijden, maar wordt later natuurlijk uit de uitslag geschrapt.

In 1975 reed Vink `voor de lol' een jaartje met een zijspancrosser, samen met zijn buurjongen Richard Vos.
In 1975 reed Vink `voor de lol’ een jaartje met een zijspancrosser, samen met zijn buurjongen Richard Vos.

Vink: “Ja, dat zijspancrossen leek me wel leuk. Zijspancrossen houdt je ook van de straat en ik heb toen een tijdje voor de lol met mijn buurjongen Richard Vos gereden. Het `echte crossen’ ­ solo bedoel ik ­ begon toch weer te kriebelen en in 1976 heb ik het weer geprobeerd. Via Gert Brouwer ben ik toen op een Yamaha gaan rijden. Ik weet nog goed dat ik voor de eerste wedstrijd in Doetinchem erg nerveus was. Iedereen keek natuurlijk naar me en ik had mezelf ook veel te veel druk opgelegd. Ik had natuurlijk geen zin om af te gaan en liet daarom bij de start van de eerste manche de motor afslaan. Als ik dan geen deuk in een pakje boter zou rijden, kon ik het daar tenminste op gooien. Ik moest nu natuurlijk wel als allerlaatste aan de wedstrijd beginnen, maar bij mij was de druk van de ketel en het leek wel alsof ik vloog. Ik won de wedstrijd en ook later in de competitie ging het goed. Tot de race in Loenen; daar viel ik samen met een achterblijver en ik kreeg zijn stuur in mijn zij. Ik had vervolgens erg veel pijn. De tweede heat probeerde ik het nog wel, maar ik kon het niet volhouden. Bij controle in het ziekenhuis bleek ik een beschadigde lever en een beschadigde long te hebben en toen was ik er echt helemaal klaar mee. Ik heb ooit voor de gein nog één keer meegedaan aan een clubcross bij mijn kluppie in Ermelo. Of ik ergens spijt van heb? Ja, als ik toen wist wat ik nu weet dan had ik veel dingen anders gedaan. Ik was in 1974 en 1975 een van de allersnelsten in de 125 cc klasse, maar heb door pech nooit gewonnen en dat vreet altijd nog aan me. Ik kijk echter niet met wrok terug op die tijd, want ik ben er nog steeds nauw bij betrokken. Mijn zoon Mike rijdt in het NK Open en ik ga samen met mijn vrouw altijd met hem mee naar de wedstrijden. Dit jaar gaat het erg goed en hij heeft zelfs een goede kans op de titel. Ik hoop dat hem lukt wat mij nooit lukte: Nederlands kampioen worden!”

Foto’s archief Johnny Vink


Dit artikel komt uit Noppennieuws 4 / 2014

(Visited 467 times, 1 visits today)
Sluiten