Kees van der Ven

Een van de beste motocrossers die Nederland ooit rijk was, is ongetwijfeld Kees van der Ven. Van der Ven werd maar liefst tien keer Nederlands kampioen, won achttien GP’s in drie verschillende klassen en won met het Nederlandse team in1984, samen met John van den Berk, John Hensen en Jan Postema de Coupe des Nations, de landenwedstrijd voor 125 cc rijders. Wereldkampioen werd Van der Ven echter nooit, maar zijn carrière was desondanks glansrijk.

In 1980 won Kees de Nederlandse 250 cc GP in Hengelo, nadat hij eerder ook al de Poolse GP won.

`IK WAS KTM-FABRIEKSRIJDER, MAAR VOELDE MEZELF TESTRIJDER.’

Maico-importeur Piet van Dijk was trots op zijn kampioen in 1975!
Maico-importeur Piet van Dijk was trots op zijn kampioen in 1975!

Dat het in het wereldkampioenschap net niet wilde lukken, had ook te maken met de sterke concurrentie in het begin van de tachtiger jaren, met name in de 250 cc klasse. Van der Ven eindigde telkens vlak achter mannen als Georges Jobé op de superieure fabrieks-Suzuki, en de Yamaha fabrieksrijders Neil Hudson en Danny Laporte telkens tweede of derde. In 1984 was Van der Ven beter dan de rest, maar toen hield pech hem, net als een jaar later, in de lichtste klasse van de wereldtitel af. Van 1986 tot 1991 reed de Brabander in de 500 cc klasse en ook daar had hij weer veel enorm goede tegenstanders. Ondanks tegenstanders als Geboers, Thorpe, Jobé en Nicolls ­ om er maar een paar te noemen ­ wist hij vier Grote Prijzen te winnen en eindigde hij vijf keer in de top tien met als beste resultaat de derde plaats in het 500 cc WK van 1987. Ik heb het als beginnend journalist misschien wel juist aan Kees van der Ven te danken gehad dat ik jarenlang GP’s kon volgen. Van der Ven was eind jaren zeventig van de vorige eeuw de eerste Nederlander die furore maakte in de 250 cc klasse. Tot die tijd zorgden Gerrit Wolsink en Gerard Rond in de 500 cc klasse (Rond eerst ook in de 125 cc) voor de resultaten en waren de uitslagen van de Nederlanders bij de kwartliters niet om over naar huis te schrijven. Van der Ven zorgde er in zijn eentje voor dat in Nederland ook in die klasse op de kaart kwam te staan. Er moest dus ook iemand naar die wedstrijden toe voor een verslag, en dat was ik gelukkig. Ik vergeet nooit mijn eerste reis in 1980 naar het Poolse Szczecin. Ik mocht de kampeerwagen (het woord camper kenden we nog niet) van mijn vader meenemen en kwam na een tocht door het voormalige Oost-Duitsland na een dag rijden aan in de Poolse havenstad. Gelukkig was ik daar niet alleen: Kees van der Ven, zijn monteur Sjef Goossens en zijn broers Toon en Jan van der Ven hadden al kwartier gemaakt en maakten me wegwijs in de wereld van de Oost-Europese GP-regels. Hoogtepunt van de reis werd niet het uitstapje naar het centrum van de stad op zaterdagavond (Ven der Ven zelf bleef natuurlijk in het rennerskwartier), maar de Grand Prix zelf. Van der Ven won namelijk die Poolse GP, de tweede in zijn nog maar korte loopbaan! Daarmee was ook mijn kostje gekocht, want ik mocht vervolgens het hele jaar de 250 cc GP’s volgen als verslaggever.

Na een paar jaar GeLimBra stapte Kees in 1975 over naar de 250 cc junioren van de KNMV, om meteen kampioen te worden.
Na een paar jaar GeLimBra stapte Kees in 1975 over naar de 250 cc junioren van de KNMV, om meteen kampioen te worden.

Het succes kwam Van der Ven niet aanwaaien. Hij was de jongste uit een boerengezin met zes kinderen en groeide op het Brabantse platteland op in de buurt van Bakel. Zijn broers waren allemaal fan van de dorpsgenoot Frans Sigmans en namen Kees regelmatig mee als ze naar wedstrijden gingen kijken. Van de Ven: “Ik werd natuurlijk ook fan en wilde eigenlijk ook gaan crossen. Bij ons in de schuur stond een heleverzameling oude brommers, omdat mijn broers al waren overgestapt naar een auto. Ik had dus genoeg te knutselen om zelf een crossbrommertje te bouwen. De eerste echte crosser kocht ik van mijn spaargeld bij diezelfde Frans Sigmans. Een 50 cc Rond-Sachs, een van de eerste modellen, met een witte tank. Van Sigmans kreeg ik wijze raad en wat spullen, zoals een paar crosslaarzen, maar dat waren toen nog gewoon soldatenkistjes. Zo kon ik dus beginnen. Ik had toen natuurlijk nog geen rijbewijs en mocht met de plaatselijke garagehouder Gerrit van Melis meerijden naar de wedstrijden van de GeLimBra (de voorloper van de huidige MON, red).”

Na twee jaar stapte Van der Ven over naar de 125 cc klasse en kocht een Wassell-Sachs. “Het begon toen ook al wat serieuzer te worden. Mijn vriend Sjef Goossens ging mee als monteur, mijn broer Toon was de man van de tuning en de vering en mijn broer Jan zorgde voor de tijdwaarneming.

Dr. Pepper frisdrank werd in de jaren tachtig een grote sponsor in de motocross, maar ook van de promodame rechts zouden we nog veel horen (prijsvraagje: mail de naam door en maak kans op een blikje Dr. Pepper...)
Dr. Pepper frisdrank werd in de jaren tachtig een grote sponsor in de motocross, maar ook van de promodame rechts zouden we nog veel horen (prijsvraagje: mail de naam door en maak kans op een blikje Dr. Pepper…)

Toon was altijd bezig om de motor te verbeteren. Hij maakte van alles zelf en bouwde zelfs een membraam op die Sachs. Zelf aluminium gieten, draaien, frezen, noem maar op. Niets was hem te gek. En dat is nog steeds zo. Hij had op een gegeven moment echter zo veel aan mijn motor gesleuteld dat alles begon te scheuren. We hadden op het laatst zelfs een lasapparaat mee naar de cross om de boel te kunnen repareren. Aan het einde van het seizoen stond er bij Sigmans een Yamaha 125 cc. Zo’n mooie met een grijze tank en daar heb ik het seizoen mee afgemaakt, want de Sachs was door al dat lassen veel te zwaar geworden.”

Al snel werkte Van der Ven zich op naar een hoger niveau en ging in 1975 wedstrijden rijden bij de KNMV. Van der Ven werd dat jaar op een Maico kampioen bij de junioren in de 250 cc klasse. Hij werkte intussen als monteur bij Sigmans in Bakel, die hem ook veel leerde op crossgebied. Een jaar later eindigde Van der Ven als vierde in het NK en weer een jaar later, in 1977, reed hij zijn eerste Grand Prix 250 cc in het Zwitserse Payerne. Hij werd dat jaar 28e in het WK, een prestatie die hij in 1978 evenaarde.

In 1978 ging Van der Ven na een korte periode Husqvarna weer terug naar Maico en met het Duitse merk sleepte hij een jaar later zijn eerste GP-zege in de wacht, op het zandcircuit van het Finse Hyvinkää. Vanaf dan geldt Van der Ven jaren als topper in de mondiale motocross. In 1981 stapt Van der Ven over naar KTM, waar hij officieel fabrieksrijder wordt. Hij wordt drie jaar op rij derde in het WK en wint in totaal tin Grands Prix in de kwartliter-klasse.

In 1984 en 1985 moest Van der ven (61) van KTM starten in de 125 cc GP's. Hij vormt een team met Jacky Martens (17). Ondanks heel veel pech werd hij derde en vierde in het WK.
In 1984 en 1985 moest Van der ven (61) van KTM starten in de 125 cc GP’s. Hij vormt een team met Jacky Martens (17). Ondanks heel veel pech werd hij derde en vierde in het WK.

In de winter van 1983 verandert er echter veel in de carrière van Van der Ven. “Het was op de dag dat mijn zoon Kevin werd geboren dat ik werd gebeld door Kalman Cseh, de topman van KTM. Hij feliciteerde me en ik dacht dat hij dat deed vanwege de geboorte van mijn zoon. Maar hij feliciteerde me met het feit dat ik 125 cc zou gaan rijden. Op dat moment was dat voor mij echter helemaal geen leuk bericht, ik zag het eerder als een degradatie. De 125 cc was immers voor jochies. Ik was derde in het WK 250 en moest nu weer met de ukkies gaan rijden. KTM was echter mijn werkgever en ik deed meestal wel wat er van me gevraagd werd. Ik heb nog wel even tegengesputterd dat ik dat helemaal niet kon, maar volgens KTM kon ik dat best. Vervolgens heb ik maar niet meer te veel zitten zeuren. Vlak voor het GP-seizoen ben ik naar Oostenrijk gegaan om te kijken hoe het er mee stond, want een paar weken voor de eerste GP van 1984 was mijn motor nog steeds niet klaar. Ik heb toen maar een productiemotor meegenomen om in ieder geval met een 125 cc te kunnen trainen, want ik had al een jaar of zes niet op zo’n ding gereden! Een week voor de eerste GP in Italië was de motor dan eindelijk klaar. Ik ben toen naar Farioli (de toenmalige Italiaanse KTM-importeur, red.) gegaan om daar op een privébaantje nog een beetje te trainen en aan de motor te wennen. Dat ging niet eens slecht, maar ik was natuurlijk erg verbaasd dat ik een week later beide heats won tijdens mijn allereerste 125 cc GP. Weer een week later ging het in Stevensbeek echter mis. Ik had de eerste heat gewonnen, maar sloeg de tweede heat over de kop en brak mijn neus en mijn oogkas.”

Kopstart in de Oostenrijkse GP500 in Sittendorf in 1987. Ook in de Koningsklasse hoorde Kees van der Ven jarenlang bij de besten.
Kopstart in de Oostenrijkse GP500 in Sittendorf in 1987. Ook in de Koningsklasse hoorde Kees van der Ven jarenlang bij de besten.

Tijdens die GP in Stevensbeek maakte niet alleen Van der Ven op zijn 125 KTM furore; het was tevens het weekeinde dat de toen pas zestien jaar oude Dave Strijbos een GP won. Later dat jaar won Van der Ven nog de Belgische GP, maar zeven keer pech zorgde ervoor dat hij achter Michele Rinaldi en Corrado Maddii derde werd in het WK. Van der Ven: “Ik had dat jaar vooral veel last van lekke banden. (KTM had in die jaren vaak grote bandencontracten voor de eerste montagebanden op hun productiemotoren en de fabrieksrijders moesten daar dan ook verplicht mee rijden, red). Dat kostte me vier keer een goede uitslag. Al met al ben ik dat jaar zeven keer niet aan de eindstreep gekomen en dat heeft me de das omgedaan.” In 1985 reed Van der Ven voor KTM opnieuw het WK 125, hij werd dat jaar vierde. KTM beloonde hem in 1986 voor al zijn testwerk in de 125 cc klasse met een plaats in het 500 cc team. Van der Ven: “Ik was dan wel fabrieksrijder, maar ik voelde mezelf toch meer testrijder. KTM was toen nog klein in vergelijking met Honda en de andere Japanse fabrieken. Wat wij in de GP’s vooral deden was de nieuwe productiemotoren van het komende jaar op het hoogste niveau in de GP’s testen. Dan ging er natuurlijk wel eens wat kapot en dat moest je dan op de koop toe nemen. Niemand maakte elkaar dan ook verwijten als er eens wat mis ging. Dat was ook het grote verschil tussen mannen als Thorpe en Geboers bij Honda en ons bij KTM. Thorpe en Geboers reden met motoren die speciaal voor de GP’s waren gebouwd en uitvoerig waren getest. Wij bij KTM deden het testwerk in de GP’s; we reden met preproductiemotoren waar nog amper mee gereden was. Dat heeft zeker punten en titels gekost.”

Ondanks dat testwerk won Van der Ven toch ook wel zijn GP’s in de Koningsklasse en was daarmee de eerste die in de 125, 250 én 500 cc klasse een Grand Prix wist te winnen. In 1992 maakt Van der Ven, die de laatste twee jaar op Honda reed, het seizoen niet af. Hij raakt geblesseerd en krijgt van Suzuki en sigarettenmerk Chesterfield het aanbod hun nieuw op te zetten motocrossteam te leidden. Van de Ven wordt manager van het team met onder andere John van de Berk, Leon Giebers, Pedro Tragter en de Zweed Joakim Karlsson en heeft direct succes, want Tragter wordt onder de hoede van Van der Ven in 1993 wereldkampioen. In 1996 keert Van der Ven terug naar KTM. Ook met KTM komen de grote successen al snel. Vooral zijn 125 cc team oogst veel respect in het rennerskwartier. Het werk van Van der Ven wordt in 2000 beloond als Grant Langston de wereldtitel verovert en ook Steve Ramon (2003) wordt in de kleuren van Champ wereldkampioen.

Als teammanager behaalde Kees ook het hoogst haalbare, met wereldtitels voor Pedro Tragter (hier op de foto in Australië in 1993), Grant Langston (2000) en Steve Ramon (2003).
Als teammanager behaalde Kees ook het hoogst haalbare, met wereldtitels voor Pedro Tragter (hier op de foto in Australië in 1993), Grant Langston (2000) en Steve Ramon (2003).

Naast zijn vele successen als coureur en manager heeft de altijd veel rust uitstralende Brabander nog veel meer overwinningen op zijn erelijst staan. Zo won hij van 1982 tot 1987 één van de bekendste motocross- en enduro-evenementen ter wereld: de drie uur durende strandrace van Le Touquet. Maar liefst vijf keer achtereen wint Kees van der Ven deze bijzondere wedstrijd: “Dat was een mooie tijd. De Franse markt was voor KTM altijd erg belangrijk en de wedstrijd in Le Touquet was en is daar het allergrootste motorsportevenement. KTM haalde dus alles uit de kast om daar te scoren en mij lag die westrijd wel. Het was een grote zandbak en zand rijden kon ik natuurlijk goed. Je moest er ook bekeken rijden. Wel snel, maar ook weer niet tè, want er gebeurde vooral op het moeilijke traject door de duinen en door de duizenden deelnemers altijd van alles onderweg. Je moest dus goed uitkijken. Als je makkelijk kunt rijden, kun je ook snel reageren op de dingen die er voor je gebeuren. Ik won dus vijf keer en die zeges in Frankrijk hebben me vaak geholpen bij de contractbespreking bij KTM!”

In 1984 deed Van der Ven ook mee aan de eerste Nederlandse zesdaagse in Assen. Voor Van der Ven was het de eerste keer dat hij op het hoogste niveau een enduro reed, maar wist desondanks de zesdaagse bijna te winnen. “Ik reed daar met een KTM en kreeg twee keer zestig seconden straftijd, omdat ik op twee ochtenden de motor niet aan de praat kreeg. Na zes dagen kwam ik precies die 120 seconden te kort om Henk Poorte te kunnen kloppen, die daar dus enduro-wereldkampioen werd.”

Tegenwoordig is Van der Ven ­ hier in overleg met enduro-wedstrijdleider Wilco Bruin ­ KNMV-teammanager bij de enduro's.
Tegenwoordig is Van der Ven ­ hier in overleg met enduro-wedstrijdleider Wilco Bruin ­ KNMV-teammanager bij de enduro’s.

Van der Ven: “Als ik terugkijk heb ik in mijn leven twee belangrijke leermeesters gehad. De eerste was Frans Sigmans, waarvan ik als coureur veel heb geleerd. De tweede was Jan Tinnemans van Champ. Die heeft me als manager altijd door dik en dun gesteund. Niet alleen als sponsor, maar ook als adviseur was hij erg belangrijk voor mij.” Op dit moment is Van der Ven teammanager van de KNMV als het om de enduro’s gaat. De KNMV besloot echter afgelopen jaar dat ze geen team naar de zesdaagse zouden afvaardigen. Vanuit de endurowereld kwam op dat besluit natuurlijk veel kritiek. Van der Ven: “Dat snap ik wel, maar de KNMV hanteert gewoon de normen die ook het NOC*NSF hanteert en dat is dat je bij de eerste acht moet kunnen eindigen wil je afgevaardigd worden. Dat lukt normaal gesproken nooit met het niveau dat de Nederlandse enduro rijders nu hebben. Ze moeten vanuit de enduro zelf eerst zien dat ze een hoger niveau kunnen halen. Daarvoor is nu ook een trainingsgroep opgericht. Mannen als Davids en Vogels moeten met die jongens in het buitenland gaan rijden, maar dan zal het in mijn ogen nog heel moeilijk worden om op een hoger niveau te komen. Ik denk echt dat het makkelijker is om een goede crosser enduro te leren rijden, dan een endurorijder harder te laten rijden. De jonge rijders die uit de KNMVcross-selectie komen, hebben al redelijk veel op de harde banen gereden en dus meer ervaring op dat terrein. Misschien moet de endurowereld wel aankloppen bij de Nederlandse crossteams, om daar aansluiting te krijgen. Kijk maar eens naar het hoogste niveau. In het WK enduro rijden nu allemaal voormalige topcrossers. Dat zegt volgens mij genoeg, waar we het als Nederland moeten zoeken als je echt op het hoogste enduroniveau mee wilt doen.”

Foto’s Archief Kees van der Ven/Peter van der Sanden


Dit artikel komt uit Noppennieuws 1 / 2014

(Visited 89 times, 1 visits today)
Sluiten